K01 Gustav Mahler
De bekendste componist uit de Bohemen is natuurlijk Gustav Mahler, al wordt hij altijd als Oostenrijker aangemerkt. En dat kwam omdat Bohemen destijds tot Oostenrijk behoorde. De bevolking ter plekke verandert niet en de cultuur ook niet (meestal).
Op 7 juli 1860 wordt hij in Kalischt geboren en dat is dus 165 jaar geleden (in 1911 overleden in Wenen). Blijkbaar reden genoeg om hem in Nederland in het zonnetje te zetten dit jaar. Hij wordt als de grote verbinder gezien tussen de klassieke romantiek en de moderne tijd. Hij viel vooral op door zijn enorme symfonische werken. Lengte en het aantal orkestleden zijn eigenlijk nooit echt overtroffen.
Mahler was van Joodse afkomst en dat volk werd destijds door alles en iedereen dwarsgezeten. Gustav is van eenvoudige komaf. Zijn vader was koetsier en herbergier, zijn moeder kwam uit een zeepzieder familie. Gustav was de tweede telg uit een nest van 14. Daarvan bleven er zes over.
Vanwege die kroeg, hoorde Gustav veel volksmuziek en toen hij vier was zat hij al achter de piano van zijn grootouders. Een wonderkind, zei men. Maar Gustav was een afwezig kereltje, dat veel verdriet had van al die overleden broertjes en zusjes. Voor zijn broertje Ernst droeg hij zijn eerste opera op (14jr!). Die muziek is nooit meer gezien, maar toont wel zijn begaafdheid natuurlijk.
Ondanks zijn gelanterfante, was hij goed genoeg voor het Weens conservatorium en won prijzen voor piano en compositie (1875-1878) (15-18j)
We onderscheiden bij Mahler drie periodes van creativiteit: "eerste" (1880-1901), "middelste" (1901-1907) en "laatste" (1907-1911) Amerikaanse periode.
Het zijn vooral de liederen en de symfonieën waarmee Mahler bekend werd (vooral later). Zijn lied is meestal symphonisch. Zang wordt dus heel vaak gemengd (en hoe!) met het orkest. Sterker nog Mahler verwerkt gewoon zang in zijn symfonieën.
We gaan eens gauw luisteren: uit Lieder eines fahrenden Gesellen: Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Het komt uit "Der Knaben Wunderhorn". Het is een verzameling Duitse gedichten/liederen verzameld door Arnim en Brentano. Vergelijk het met de gebroeders Grimm die ook allerlei sprookjes verzamelden. Het was razend populair bij de elite (nationalistisch) en bij het volk. Zo ook Mahler, hij putte veel uit deze liederenset. We moeten natuurlijk meteen denken aan Schubert's Winterreise. Maar Gustav is wat breedsprakiger in zijn muziek.
Ook zijn eerste symphonie is zeer zangerig met overbekende volkswijsjes erin verwerkt, Zo horen we in zijn eerste symfonie het vader Jacob in mineur. We luisteren naar het derde deel. Deze symfonie klinkt zo volwassen, dat velen eraan twijfelden of dit zijn eerste symfonie was (bijv. Willem Mengelberg). Dat eerdere werk zou zich in Dresden hebben bevonden, maar daar is alles weggebombardeerd in WOII.
Het was vooral in deze periode dat Gustav opteerde voor directies, want daar was hij erg goed in. En ondanks zijn afkomst dirigeerde hij werk van Beethoven, in bekende operahuizen en concertgebouwen (Leipzig, Praag).
Na 1888 kwam hij in Budapest, waar hij weliswaar alles dirigeerde, maar waar hij veel gedoe kreeg met de conservatieve en progressieve stromingen: Moest het de moderne Wagner worden of toch Hongaarse nationalistische werken. Van ellende week hij even (1890) uit naar Italië, waar hij nieuw werk vanuit Italië meenam. Intussen overleed zijn vader en zusje. En Gustav nam de zorg over van zijn broertjes en zusjes, terwijl hijzelf ook last had van migraine en aambeien. Zijn muzikale output was klein. Te veel sores.
Mahler verhuist naar Hamburg met wat minder gedoe. en dirigeert ook daar diverse opera's van Tchaikovsky en Wagner. Om tijd te krijgen om te komponeren koopt hij een huisje in Steinbach ad Attersee (Oostenrijk). Hij trekt zich daar terug om in zijn vrije tijd in de zomer te componeren.
Bedenk dat hij een repertoire had van 66(!) opera's. Bizar natuurlijk. Ik laat opnieuw iets horen uit der Knaben Wunderhorn. Muzikale gedichten. Het ligt wat ingewikkeld met die Wunderhornliederen, omdat Gustav er voortdurend aan sleutelde. Soms schrapte hij er een lied uit, soms maakte hij er een nieuwe bij. Een goed voorbeeld is de Tamboursgesell. Het was in 1901, ten tijde dat hij zijn vijfde symfonie schreef. Ik laat twee versies horen: Een met PIANO en een met ORKEST. Het tempoverschilt nogal onderling.
Ich armer Tamboursg’sell!
Man führt mich aus dem G’wölb!
Wär ich ein Tambour blieben
Dürft’ ich nicht gefangen liegen!
O Galgen, du hohes Haus
Du siehst so furchtbar aus!
Ich schau dich nicht mehr an!
Weil i weiß, daß i g’hör d’ran!
Wenn Soldaten vorbeimarschier’n
Bei mir nit einquartier’n
Wenn sie fragen, wer i g’wesen bin:
Tambour von der Leibkompanie!
Gute Nacht! Ihr Marmelstein!
Ihr Berg’ und Hügelein!
Gute Nacht, ihr Offizier
Korporal und Musketier!
Gute Nacht!
Gute Nacht ihr Offizier!
Korporal und Grenadier!
Ich schrei’ mit heller Stimm:
Von Euch ich Urlaub nimm!
Gute Nacht!
Het was in 1895 dat hij zijn tweede symfonie ten gehore bracht in Berlijn. Het werd goed ontvangen, maar intussen stierf zijn broertje Otto (zelfdoding) en sappelde hij verder. Het ultieme doel van Gustav was een post in Wenen, want daar gebeurde het allemaal. Maar als Jood kwam je niet ver. Hij bekeerde zich in in deze periode tot het katholieke geloof (hij noemde zichzelf agnost). Met hulp van zijn vrienden (hij was natuurlijk wel heel goed), kreeg hij een post in Wenen aan de Hofopera. De keizer moest het nog wel goedkeuren...en om hem over de streep te krijgen dirigeerde hij zoveel mogelijk "Duitse" muziek. Dus vooral laten zien dat hij GEEN Jood was. Kortom hij werkte zich te pletter.
Zo was hij in Wenen bezig met zo'n 80(!) opera's. De enige die niet door de censors kwam, was Salome van Richard Strauss (te modern). Hij mag nu ook de Wiener Phil dirigeren en manoeuvreert zich tussen alle critici door.
Rond 1901 neemt hij zijn intrek in een nieuw huisje in Meiernig aan de Wörthersee ten oosten van Klagenfurt. Hier componeert hij zijn 5,6,7, en 8ste symfonie tussen 1901en 1905. Kortom een enorme productiviteit. We zitten dus midden in zijn "midden periode" oftewel de "post_Wunderhorn-tijd".
We luisteren naar een van zijn Ruckert Liederen: met Janet Baker/Orkest (prachtig natuurlijk)
Ich bin der Welt abhanden gekommen
Ich bin der Welt abhanden gekommen,
Mit der ich sonst viele Zeit verdorben,
Sie hat so lange nichts von mir vernommen,
Sie mag wohl glauben, ich sei gestorben!
Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
Ob sie mich für gestorben hält,
Ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
Denn wirklich bin ich gestorben der Welt.
Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
Und ruh’ in einem stillen Gebiet!
Ich leb’ allein in meinem Himmel,
In meinem Lieben, in meinem Lied!
Eindelijk worden in deze periode zijn vroege symphonieen voor het eerst (!) uitgevoerd en krijgt Gustav niet alleen waardering voor zijn directie, maar ook voor zijn composities.
Mahler's symfonieën zijn ook vaak in films gebruikt,. Een bekend voorbeeld de soundtrack van "Death in Venice"/"Dood in Venetië" waar het adagietto uit de 5de wordt gebruikt. Dat gaan we horen: Adagietto (YT)
Het is ook in deze periode dat hij Alma Schindler ontmoet. Hij heeft een villa laten zetten (geld genoeg inmiddels) bij zijn huisje. Nu ging Gustav wel over de tong over zijn affaires met operasterren, maar uiteindelijk liet Alma zich ook verleiden. Ze was zwanger toen ze met Gustav trouwde en kregen samen twee dochters. De scene was verbaasd: "Hoe kon zo'n Jood met zo'n mooie meid trouwen", OF die Alma had toch ook affaires achter de rug. Kortom Geroddel van de bovenste plank.
Gustav was tamelijk dominant en Alma, die ook componeerde, mocht dat niet meer doen. Er kon er maar een zijn in het gezin.... Toch werd het huwelijk tussen Gustav en Alma als gelukkig gezien. We gaan luisteren naar een lied van Alma-Werfel: Werfel was haar latere naam.
Kennst du meine Nächte?
An dem See? Die geheimsten Abendschauer
Stillen Blumensehnsucht in tiefsten Gärten
Und es gehn wie schlanke goldne Barken
Spiegellichter aus den weißen Villen
Durch den See
Kennst du meine Nächte?
Traumesmüd Mädchen zieh'n
In schimmernden Gewändern
Zu dеs Parks gründunkelnen Zypressеn
Gräser schauern, ihrer selbst vergessen
Sitzen sie an hohen Brunnenrändern
Traumesmüd
Kennst du meine Nächte?
Sommerklar leuchten mir
Die schönen Sehnsuchtsträume
Durch die lichten Marmorraüme
Dunkel wachsen dort die Bäume
Atmen dort die fremden, heißen Büsten
Sommerklar
Kennst du meine Nächte?
Tief der See zwischen mir und fernem Sommerorte
Fluten schlafen und die Wüsten trauern
Drüben leuchten noch die weißen Mauern
Aber nimmer klirrt die Gitterpforte
Überm See
Mahler en Amsterdam: Er is een mooi verhaal van Jan Brokken waarin uitvoerig wordt verhaald hoe Willem Mengelberg hem ontving. Willem was totaal overrompeld door zijn symfonieën die nog nauwelijks waren uitgevoerd. Hij promootte veel van zijn werk, waarbij Mahler natuurlijk ook zelf op de bok klom daar in Amsterdam.
Das Himmlische Leben
Wir genießen die himmlischen Freuden,
D'rum tun wir das Irdische meiden.
Kein weltlich' Getümmel
Hört man nicht im Himmel!
Lebt alles in sanftester Ruh'.
Wir führen ein englisches Leben,
Sind dennoch ganz lustig daneben;
Wir tanzen und springen,
Wir hüpfen und singen,
Sanct Peter im Himmel sieht zu.
Johannes das Lämmlein auslasset,
Der Metzger Herodes d'rauf passet.
Wir führen ein geduldig's,
Unschuldig's, geduldig's,
Ein liebliches Lämmlein zu Tod.
Sanct Lucas den Ochsen tät schlachten
Ohn' einig's Bedenken und Achten.
Der Wein kost' kein Heller
Im himmlischen Keller;
Die Englein, die backen das Brot.
Gut' Kräuter von allerhand Arten,
Die wachsen im himmlischen Garten,
Gut' Spargel, Fisolen
Und was wir nur wollen.
Ganze Schüsseln voll sind uns bereit!
Gut' Äpfel, gut' Birn' und gut' Trauben;
Die Gärtner, die alles erlauben.
Willst Rehbock, willst Hasen,
Auf offener Straßen
Sie laufen herbei!
Sollt' ein Fasttag etwa kommen,
Alle Fische gleich mit Freuden angeschwommen!
Dort läuft schon Sanct Peter
Mit Netz und mit Köder
Zum himmlischen Weiher hinein.
Sanct Martha die Köchin muß sein.
Kein' Musik ist ja nicht auf Erden,
Die unsrer verglichen kann werden.
Elftausend Jungfrauen
Zu tanzen sich trauen.
Sanct Ursula selbst dazu lacht.
Kein' Musik ist ja nicht auf Erden,
Die unsrer verglichen kann werden.
Cäcilia mit ihren Verwandten
Sind treffliche Hofmusikanten!
Die englischen Stimmen
Ermuntern die Sinnen,
Daß alles für Freuden erwacht.
In 1907 breekt de hel los in Meiernigg: zijn dochters overlijden en tot overmaat van ramp wordt bij Gustav een hartkwaal geconstateerd. Hij keert zijn villa de rug toe en gaat naar Schluderbach in Tirol. Hem wordt aangeraden het wat kalmer aan te doen.
Intussen schrijft hij wel zijn 8ste symfonie, ook wel "symfonie der Tausend" genoemd. Het is gebaseerd op een Latijns lied: Veni Creator Spiritus (Schepper daal op ons neer). Het was van Gustav een soort liefdesverklaring aan Alma, die hij niet al zijn aandacht kon geven. Zij ging vreemd (Gropius) en hij wilde haar terugveroveren.
Het aantal uitvoerders loopt in de honderden (extra groot orkest, 2 koren, solisten). In Nederland zijn het Concertgebouw, de Doelen en Ehv groot genoeg. Ik laat twee stukjes horen. Voor de massaliteit moet je naar een (zeldzaam) concert. Eerste stuk van deel 1: Het valt onmiddellijk met de deur in huis. En dan het laatste stukje van deel 1: Overdonderende lawine van geluid (valt niet mee door een speakerbox). Ga er thuis maar eens lekker voor zitten.
We komen in zijn derde en laatste periode, waar Mahler naar New York reist, waar hij vooral grote opera werken dirigeert: Tristan en Isolde (Wagner), Fidelio (Beethoven). Opnieuw is zijn directie beroemder van opera's dan zijn eigen composities, waarmee hij toch mee blijft doorgaan (en dat kostte hem veel geld, want hij moest het zelf financieren). Hij trekt in zijn derde huisje, in Toblach (Oostenrijk, Tirol).
Mitten in dem kleinen Teiche
Steht ein Pavillon aus grünem
Und aus weißem Porzellan.
Wie der Rücken eines Tigers
Wölbt die Brücke sich aus Jade
Zu dem Pavillon hinüber.
In dem Häuschen sitzen Freunde,
Schön gekleidet, trinken, plaudern,
Manche schreiben Verse nieder.
Ihre seidnen Ärmel gleiten
Rückwärts, ihre seidnen Mützen
Hocken lustig tief im Nacken.
Auf des kleinen Teiches stiller
(Wasserfläche) 1 zeigt sich alles
Wunderlich im Spiegelbilde.
Alles auf dem Kopfe stehend
In dem Pavillon aus grünem
Und aus weißem Porzellan;
Wie ein Halbmond (steht) 2 die Brücke,
Umgekehrt der Bogen. Freunde,
Schön gekleidet, trinken, plaudern.






.jpg)
Reacties
Een reactie posten